Het menselijk geheugen is een verraderlijk ding. Zelfs voor iemand met mijn… levensduur. Eeuwen vervagen tot dagen. Gezichten veranderen in schimmen. Daarom schrijf ik. Daarom verzamel ik. Niet voor de wereld, maar voor mezelf. Om te bewijzen dat het echt gebeurd is.
Wat je nu in handen hebt, is geen compleet verhaal. Het zijn scherven. Fragmenten van ontmoetingen die verspreid liggen over millennia. Een dagboek uit de toekomst, een brief uit het verleden, een herinnering aan een regenachtige dag in Augsburg of een cel in Londen. Het gaat over haar. Sophie. De reiziger die door de tijd valt, terwijl de tijd om mij heen stroomt.
Lees dit niet als fictie. Lees dit
als bewijs.
– K.
2 – Ik weet niet of ik dit goed doe. Kaïn zei dat ik moet schrijven, dus dat doe ik. Ik weet niet waar ik ben. Ik zie een dorpje met houten huizen en het ruikt naar kampvuur. Ik zie nergens een grote weg en hoor ook geen auto’s of vliegtuigen. Mijn mooie blouse zit nu al onder de modder en zelfs mijn sokken zijn nat. Mama, als je dit ooit leest, sorry dat mijn kleren zo vies zijn geworden. Ik ga op zoek naar iets te eten en drinken. Hopelijk zijn de mensen hier vriendelijk.
46 – De mensen om me heen bewegen zo snel dat het lijkt alsof ze ergens voor wegrennen. Degenen die me zien, lopen met een grote boog om me heen. Ik sta nog stil in deze chaos. Het ruikt hier naar fastfood en parfum, maar ik proef nog steeds de rook van mijn eerste, zelfgemaakte vuur. M’n nagels zijn zwart van de aarde waar ik net nog in zat te ploeteren. Mijn shirt is bevlekt met konijnenbloed.
Ik wil naar huis.
Londen, 24 december 1852.
Het is officieel: de mensheid is krankzinnig. Drie jaar geleden zette ik een sparrenboom in mijn hal met wat zilveren linten in de takken, en dat heeft de hele stad tot waanzin gedreven. Wat begon als een klein gebaar voor een vrouw die er nog niet is, is uitgegroeid tot een epidemie van hebzucht en sentiment. Ik heb de aristocratie wijsgemaakt dat een dode boom in je salon het toppunt van beschaving is, en de winkeliers in Regent Street aanbidden me nu als een god. Ik heb hun saaiste, koudste maand veranderd in een ongekende goudmijn.
Overal waar ik kijk, zie ik het resultaat van mijn eigen ongeduld. Ze noemen het ‘traditie’, ze noemen het ‘kerstgevoel’. In werkelijkheid is het niets meer dan een commercieel theater dat ik heb geregisseerd om de stilte in dit huis te verdrijven. Ik heb een plek nodig om de stapels geschenken en memorabilia te bewaren. Als ik de tijd niet kan versnellen, dan vul ik de wachtkamer maar met de glans van nepgoud en het gerinkel van kassa’s.
Het is een vreemde troost te weten dat over honderd jaar misschien wel miljoenen mensen hun huizen versieren en elkaar overladen met spullen, simpelweg omdat ik me verveelde terwijl ik op jou wachtte. De hele wereld viert onbewust jouw komst, verpakt in rood papier en strikken.
Vrolijk kerstfeest, Sophie. Tot snel.
-K
1.411 – Griekenland. Eindelijk zon! Na dagen van landen in de modder en regen kan ik eindelijk even opwarmen. En op een prachtig strand nota bene.
Toen ik me in het zand liet vallen, keek een oude kerel heel raar naar mijn schoenen. Hij ging op zijn knieën voor me zitten en peuterde wat aan de lus van mijn veters. Hij mompelde iets over Hermes ofzo, en keek me aan alsof hij water zag branden.
Ik kan lekker mijn sokken even laten drogen. Even onderuit.
917 – Note to self: sandalen zijn een leugen. Schattig, maar ze doen he-le-maal niks tegen scherpe stenen of hete grond. Degene die deze dingen heeft bedacht heeft duidelijk nooit zijn stappendoel gehaald. Ik wou een brood kopen, maar ik had een verkeerde soort munt. Of het verkeerde gezicht. Geen idee. De bakker keek me aan alsof ik had voorgesteld om met zijn geit te trouwen. Uiteindelijk gelukt, in ruil voor een knoop. Geen idee of ik nu gewonnen of verloren heb.
Ik mis m’n Vans. Oh en Wi-Fi.
804 – Ik dacht dat bibliotheken altijd stil moesten zijn. Nou deze blijkbaar niet. Totale chaos hier! Het is bloedheet, overal lopen soldaten te schreeuwen en ineens vloog er een fakkel door het raam. Hele tent in de fik! Ik moest rennen voor mijn leven, maar natuurlijk bleef ik met mijn haar weer eens ergens achter haken. Mn favoriete elastiekje stuk. Nu zit m’n haar de hele tijd in m’n ogen en ik heb geen reserve meer.
Ik hoop dat ik morgen ergens land waar ze elastiekjes hebben. Of gewoon… een douche.
Florence, maart 1397.
De kerk noemt woeker een doodzonde. Giovanni keek me dan ook aan alsof ik hem vroeg zijn ziel te verkopen.
Dus ik schreef het anders op.
Geen rente. Gewoon een wisselkoers-
verschil. Je leent iemand in Florence honderd florijnen, en hij lost het af in Lonoden, maar dan in ponden. Maar dan tegen een iets ongunstiger koers. Wiskundige onvermijdelijkheid, zou je zeggen. Zeker geen zonde. De priester knikt. God zwijgt. Wij verdienen tweeëntwintig procent per jaar.
De Medici sturen me wekelijks een dankbrief. Ik schrijf nooit terug. Het misterie houdt mensen scherp.
– K.
Iemand vertelde me dat ik eens rust moet nemen.
Wat betekent dat? Rust? Is dat een plek zonder mensen die dingen van me willen? Zonder berichten die ik moet onderscheppen, verhalen die ik moet verzamelen, sporen die ik moet volgen? Gewoon… zitten. In de zon. Zonder doel.
Ik ben al te lang in Ascra. Ik ken de gesprekken van de boeren over hun oogst. Het geluid van kinderen die speels achter hun kippen aanrennen. Verhalen van een dichter in de buurt die schrijft over goden en helden, en niemand luistert.
Ik wel. Niet omdat het allemaal zo interessant is, maar omdat ik niet kan stoppen. Bovendien, na zo veel tijd is het verschil tussen wachten en rusten nog maar minimaal. Ze voelen hetzelfde en zien er hetzelfde uit.
Ik wacht. Maar ik zal niet rusten tot ik haar vind.
-K.